Column week 16: Het placebo-geloof

Het wel bekende kruisje slaan voordat je aan de wedstrijd begint of even een kusje geven op het kruisje aan je ketting. Het vingertje naar boven wanneer er gescoord of gewonnen wordt. De handen op elkaar vouwen als een non wanneer er een kans wordt gemist of wanneer er wordt verloren.

Van de week kreeg ik de vraag die iedereen één keer in de zoveel tijd gesteld krijgt aan de deur. De één vraagt direct of hij binnen mag komen, de ander vraagt netjes of ik tijd heb voor een gesprekje, maar allemaal komen ze aan de deur om het geloof te brengen. Mijn opa zou heel droog zeggen: “Mooi, zet maar in de gang”. Maar die is, mocht er echt iets zijn na ons aardse bestaan, inmiddels al bij de grote baas.

U begrijpt: ik geloof niet. Tenminste, ik denk dat ik niet geloof. Ergens in mij zit nog een beetje christelijke opvoeding van de basisschool waar ik als klein jochie op zat. Meer dan dat ik weet dat we bij kerst de geboorte van Jezus vieren, bij Pasen zijn wederopstanding en dat Mozes in een mandje in het riet gevonden werd weet ik eigenlijk niet meer. En van de schooltijd weet ik nog dat we elke maandag een psalm uit ons hoofd moesten kennen. Maar eerlijk gezegd ging dat bij mij net zoals met de Franse en Duitse rijtjes, na de overhoring was ik die gelijk weer vergeten.

Zoals ik net al zei: ik geloof niet. Tenminste, dat denk ik. Ik zou het eerlijk gezegd wel heerlijk vinden om te kunnen geloven. Dat je voor je zware zwemrace dat kruisje niet voor niets hebt geslagen maar toch een soort duwtje in de rug krijgt door je geloof. Dat je net iets harder kunt omdat je denkt dat je geholpen wordt. Heel cru gezegd: het effect van een placebo.

De laatste weken heb ik best veel moeite om tijdens races mijn concentratie vast te houden. Zeker op de langere afstanden verlies ik mijn aandacht voor de race en lukt het me niet me aan de vooraf vastgestelde taken te houden. Telkens val ik terug in de oude slag, zoals zo velen mijn maaislag noemen, terwijl tijdens de trainingen de slagen wel langer en efficiënter blijken te worden. Ergens verlies ik de aandacht en begin ik soms te geloven dat ik niet anders kan dan alleen maar door het water maaien.

Afgelopen zondag zwom ik maar weer eens een 1500 meter. Dit keer in Nijmegen tijdens een masterwedstrijd. Een wedstrijd die nergens om ging, maar een mooie trainingswedstrijd was waar geen druk op stond, waar ik mijzelf niet hoefde te bewijzen. Van te voren had ik een raceplan in gedachten en dat wilde ik wat er ook gebeurde uitvoeren. Tijd was dit keer zwaar ondergeschikt.

Voor de start kreeg ik ineens het liedje ‘Speeches’ van de Canadese band Walk off the Earth in mijn hoofd. Eerder vertelde ik al dat mij talenknobbel niet helemaal ontwikkeld is maar als je een beetje naar de tekst luistert kun je het een nummer noemen dat zo bij de EO-jongerendagen zou kunnen worden gespeeld. Gedurende de hele race bleef de melodie in mijn hoofd en neuriëde ik het mee. De enige zin van de tekst die ik echt meezong was: Nobody, no, nobody but me. Een daar sloeg ik de spijker mee op zijn kop. Wie of wat je ook helpt; je geloof als extra steun, je trainer door schema’s te maken en aanwijzingen te geven, je ouders doordat ze je als klein jochie steunden door je ’s ochtends in alle vroegte naar het zwembad te brengen of wie dan ook die ooit iets voor je heeft gedaan waardoor jij je hebt ontwikkeld als sporter, op het moment dat het startschot heeft geklonken is er maar één die kan doen wat jij wil, maar dan moet je er wel in durven geloven en voor sommigen is geloven in jezelf nog moeilijker dan geloven in iets…..

 

Walk Off The Earth - Speeches op YouTube: http://youtu.be/cBK1lfa8XtM