Column 2014-06: Viswedstrijdbeker

Al jaren ben ik voorstander van het afschaffen van bekers voor de winnaars van een afstand. Ik heb er zelfs in 2012 op een subtiele manier vanuit naam van een beker een column aan besteed. (column: oud en afgedank) Als je op het podium mag staan na een wedstrijd, vind ik dat je je prijs altijd in ontvangst moet nemen. Sommige mensen peren 'm na de afstand, omdat ze thuis nog moeten strijken, stofzuigen, een feestje hebben of omdat ze gewoonweg geen zin hebben om een beker op te halen, want het is al de 345e beker die ze winnen.

Toegegeven. Mijn bekers staan in dozen bij mijn ouders op zolder. Toegegeven. Op de maandag na een wedstrijdweekend doe ik altijd een bakje koffie bij mijn ouders en neem ik mijn gewonnen bekers mee. In het verleden stonden ze nog een paar dagen bij mijn ouders op de kast. Ik betrap mijn ouders er tegenwoordig ook op dat ze ze gelijk in een doos stoppen.
Het wordt wat gewoontjes. Niet dat we het de normaalste zaak gaan vinden een beker te winnen, maar meer dat de bekers na zoveel jaren allemaal een beetje op elkaar lijken. Het is dat op alle bekers een plaatje zit met de naam van de wedstrijd, hoeveelste ik ben geworden en in welk jaar het was, maar ik zou anders echt niet weten waar de bekers van zijn.

Afgelopen zaterdag stond ik op het podium na de 5 kilometer vrijeslag. Oud-topzwemmer Arjen van der Meulen won. Een maatje waar ik al vanaf 1995 tegen zwem, Pieter Pickhardt, (en ja, we hebben soms na al die jaren nog steeds een andere opvatting over hoe we het beste gezamenlijk naar de finish kunnen zwemmen), werd derde. We kregen de beker uitgereikt door een leuke dame (waarom wordt er zo weinig gekust op het podium) en zagen dat de bekers dit keer anders waren dan de 'kleine skitdingkies' (dialect van moeder voor kleine schijtdingen) die we de laatste tijd krijgen in het kader van de bezuinigingen.

Het was een mooie grote beker en voor het eerst sinds tijden bekeek ik de beker eens wat aandachtiger. Opeens werd ik overvallen door boosheid. Op de beker stond een grote vis. Na 5km zwemmen kreeg ik gewoon een beker uitgereikt waar een vis opstond. Alsof ik een viswedstrijd had gewonnen.
Terug bij mijn 'groepje' stond ik verontwaardigd te roepen dat ik het maar raar vond dat ik een 'viswedstrijdbeker' had gewonnen. Een niet nader te noemen vader én fotograaf riep dat ze die waarschijnlijk ergens goedkoop op de kop hadden getikt. Ik vond het maar stom. Betalen we allemaal behoorlijk wat geld voor het deelnemen aan zo'n wedstrijd en dan win je een 'viswedstrijdbeker'. In mijn boosheid heb ik het stenen visje van mijn beker geknakt en heb hem onder de noemer 'vissen horen in het water' in de rivier gegooid. Alsof het een echte vis was verdween hij in het donkere water en ik riep nog: 'Dat het maar een grote vis mag worden.'

Vandaag, twee dagen later, haalde ik de beker uit mijn tas en vertelde het verhaal zoals hierboven aan mijn vriendin. Die kon niet geloven dat ik het stenen visje van de beker had gehaald en deze in het water had gegooid. ‘Dat was toch een hartstikke leuke beker geweest voor je dochter als die eens haar eerste visje vangt.’
Waarom denken vrouwen alleen aan zulke dingen?

Dus, mocht er iemand bij de kanovereniging in Macharen ooit een stenen visje vangen..., ik was de eigenaar....